Home Ondernemen & Business Technologie in de rechtspraktijk: (stiekeme) geluidsopname als bewijs

Technologie in de rechtspraktijk: (stiekeme) geluidsopname als bewijs

1309
tui
Menno Weij, Solv. Advocaten

Het blijft interessant om te zien hoe technologische ontwikkelingen terug te vinden zijn in het recht. Op 29 februari 2016 is een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gepubliceerd waarin eiseres ter onderbouwing van haar vordering een USB-stick in het geding bracht met daarop meerdere fragmenten van gesprekken met de wederpartij die stiekem waren opgenomen. De rechter wijst in dat verband op het hierna te bespreken uitgangspunt dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen, dus ook een stiekem gemaakte geluidsopname. De uitspraak brengt op zich niets nieuws met zich mee. We zien steeds vaker dat partijen in een civiele procedure bewijs overleggen in de vorm van een stiekem opgenomen gesprek. Maar mag dat zomaar: een gesprek opnemen zonder dat de ander daarvan op de hoogte is? En mag je zo’n opname dan ook nog eens gebruiken als bewijs?

Uitgangspunt
Al gezegd, is het gebruik van een geluidsopname als bewijs in een civiele procedure in beginsel altijd toegestaan. In het civiele recht gelden namelijk geen specifieke eisen voor hoe het bewijs verkregen mag zijn. De Hoge Raad formuleert dit in het arrest van 18 april 2014 als volgt:

Art. 152 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan art. 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd).

Bewijs kan dus in beginsel door alle middelen worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt. Zelfs onrechtmatig verkregen bewijs is in een civiele procedure niet onder alle omstandigheden ontoelaatbaar. De rechter mag namelijk al het bewijsmateriaal zelf beoordelen op de merites. De omstandigheid dat het om een stiekeme geluidsopname gaat, brengt dus niet automatisch mee dat de rechter dit als bewijs dient uit te sluiten.

Onrechtmatig verkregen bewijs
Er bestaan een tal van uitspraken waarin een van de partijen probeert een geluidsopname uit te laten sluiten als bewijs met het argument dat deze onrechtmatig is verkregen. Uit de rechtspraak blijkt dat een dergelijk argument zelden wordt geaccepteerd.

Een bijzondere omstandigheid, die een opname onrechtmatig maakt, ziet op de inhoud van het opgenomen gesprek. De opname kan bijvoorbeeld onrechtmatig zijn als het onderwerp van het gesprek geen zakelijk karakter betreft. Daarnaast verbiedt de wet het stiekem maken van opnames van gesprekken waaraan je geen deelnemer bent. Als je dus zelf een van de gesprekspartners bent, overtreed je deze wet niet.

Een opname kan dus onrechtmatig zijn als het geen zakelijk gesprek betreft en de opnemer geen partij is. Van beide gevallen was sprake in een zaak die voor de Kantonrechter te Utrecht ter beoordeling lag. Daar had een werknemer bij het kennismakingsgesprek met een supermarktmedewerkster en een HR-medewerker, zonder medeweten van zijn gesprekspartners het gesprek opgenomen. Zelfs toen de werknemer de kamer had verlaten heeft hij deze opname door laten lopen en de rest van het gesprek tussen de HR-medewerker en de supermarktmedewerkster opgenomen. De werknemer was toen geen deelnemer meer aan het gesprek en het gesprek bevatte een privé-element. Tijdens het gesprek kwam de werknemer wel aan bod, hij werd een “vies, vuil ventje” genoemd. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer met het opnemen van het gesprek een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de HR-medewerker en de supermarktmedewerkster. Hoewel het gesprek op het werk plaatsvond en over een werknemer ging, voerden de supermarktmedewerkster en een HR-medewerker een gesprek in de beslotenheid van de kamer dat overduidelijk voor niemand anders bedoeld was. Ook leidinggevenden dienen volgens de rechter in beslotenheid met elkaar te kunnen spreken over werknemers zonder angst te hoeven hebben dat ze worden afgeluisterd. Dat is volgens de rechter echter nog geen voldoende reden om de opname als bewijs buiten beschouwing te laten.

Privacybelangen
Onrechtmatig verkregen bewijs wordt dus niet per definitie uitgesloten bij de bewijsvoering in een civiele procedure. Dit houdt verband met het belang van de waarheidsvinding en met de waarheidsplicht van de partijen in een procedure. Het belang van de ene partij op bescherming van de privacy, moet worden afgewogen tegen het belang van de wederpartij dat in de procedure de door haar gestelde feiten komen vast te staan. Deze belangenafweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, zodat algemene regels moeilijk zijn te geven.

De Hoge Raad oordeelde al in 1987 dat voor uitsluiting van bewijs sprake moet zijn van een ‘rechtens ontoelaatbare inbreuk op de privacy, zulks op basis van bijkomende omstandigheden die deze conclusie rechtvaardigen’. Het enkele feit dat door de geluidsopname een inbreuk is gemaakt op de privacy van de betreffende partij is dan ook onvoldoende om een in het geheim gemaakte geluidsopname uit te sluiten van de bewijsvoering. Oftewel: een inbreuk op zich is niet genoeg, deze moet ook nog eens ‘rechtens ontoelaatbaar’ zijn.

Slot
De rechtspraak leert ons dat voor het opnemen van gesprekken, die een zakelijk karakter hebben en waaraan de opnemer deelnemer was, een aankondiging vooraf niet noodzakelijk is. Dergelijke opnames kunnen over het algemeen als bewijs dienen en zullen niet snel uitgesloten worden van de bewijsvoering. Uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs is slechts mogelijk indien sprake is van bijkomende omstandigheden die de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ‘rechtens ontoelaatbaar’ maken. Het belang van de waarheidsvinding door openbaarmaking (aan de rechter) van een opname weegt in dergelijke gevallen over het algemeen zwaarder dan het belang op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke belangenafweging dient altijd te worden gemaakt. Dat een onrechtmatige geluidsopname niet wordt uitgesloten van de bewijsvoering, neemt echter niet weg dat het heimelijk opnemen van een gesprek onder omstandigheden wel kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.

Menno Weij is partner bij SOLV advocaten, gespecialiseerd in Technologie, Media en Communicatie

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here